Onderwijs als fundament van een goede samenleving

Op zaterdag 29 maart vond de jaarlijkse Comeniusdag plaats, ter ere van Jan Amos Comenius. Micha de Winter ontving de Comeniusprijs, en ik mocht de Comeniuslezing uitspreken. Lees hieronder mijn bijdrage.

“Vorige maand startte ik mijn werkweek bij een bijzondere bijeenkomst op het Comenius Lyceum in Amsterdam. In-de-miks heette het. Een week lang gingen de leerlingen van het Comenius in Nieuw-West samen met leerlingen van het Hyperion Lyceum in Noord aan de slag met als doel om elkaar te ontmoeten, van elkaar te leren en om verbinding te maken met elkaar in de strijd tegen polarisatie. Het Comenius en het Hyperion zijn scholen met twee hele verschillende leerlingenpopulaties. Op het Comenius zitten voornamelijk leerlingen met een Islamitische achtergrond, vaak kinderen van minder hoog geschoolde ouders met minder hoge inkomens. Op het Hyperion zitten voornamelijk kinderen van hoger opgeleide ouders met hogere inkomens. Ik zag al die kinderen die maandagochtend voor me zitten in de aula. Een bont gezelschap van culturen en achtergronden. Heerlijk Amsterdams!

Als Comenius even in die aula had kunnen rondkijken, was hij er waarschijnlijk vrolijk van geworden.

Want alles waar hij voor stond en wat hij aanpakte, stond in het teken van het dienen van de mensheid. De hele, ongedeelde mensheid. Standenverschil, polarisatie, scherpslijperij: hij gruwde ervan.

“Wij zijn allemaal burgers van één wereld”, schreef hij. “Wij zijn allemaal van één bloed. Het is een grote dwaasheid om mensen te haten omdat ze in een ander land zijn geboren, omdat ze een andere taal spreken, of omdat ze een andere mening hebben over dit of dat onderwerp. Stop daarmee, smeek ik u, want we zijn allemaal even menselijk. Laten we slechts één doel voor ogen hebben: het welzijn van de mensheid.”

Dus als hij er bij was geweest, in de stad waar hij 345 jaar geleden was gestorven, daar op ‘zijn’ Lyceum, dan had hij een glimlach vast niet kunnen onderdrukken, vermoed ik.  

Nergens zijn namelijk op die ochtend in februari de schrijnende tekenen van armoede zichtbaar, zoals in zijn tijd. Alle kinderen zijn gekleed, met schoenen zonder gaten aan hun voeten. En kijk: de helft van de leerlingen zijn meisjes! De volgende verwondering: De meisjes en jongens zijn rond de 16; en zitten nog steeds op school! De kinderarbeid is afgeschaft en de vele ernstige ziektes, zoals de pest, die de mensen in zijn tijd teisterden, zijn uitgebannen. Nauwelijks te geloven!

En wacht even! Deze kinderen zijn op deze ochtend niet alleen maar bezig met hun eigen intellectuele vorming, maar werken samen aan een project om elkaar beter te leren kennen, vanuit de gedachte dat je samen een samenleving vormt en iedereen daar een verantwoordelijkheid in draagt.

Het zal Comenius bevallen. Onderwijs dat verder gaat dan cognitie en zich ook richt op geestelijke, sociale en morele vorming. Dat er niet alleen om gaat wat je wordt, maar ook juist om wie je wordt: een burger van onze samenleving. Onderwijs als universeel recht, in plaats van een privilege voor sommigen.

Alle idealen van Comenius leken daar in die aula op maandagochtend volledig gerealiseerd. Maar zou Comenius dat goede gemoed hebben vastgehouden als hij uit de aula was uitgestapt? Geconfronteerd met onze oorlogen, onze verdeeldheid, en de almaar groeiende ongelijkheid.

Een ding is duidelijk: Ook in deze tijd zouden we er goed aan doen om de lessen van Comenius tot ons te nemen. Zijn lessen over wat het betekent om mens te zijn, en hoe vreedzaam samen te leven.

En ook zijn visie op goed onderwijs. Een visie die hij beschreef in vele boeken en geschriften en die ik kortweg samenvat in drie stellingen::

1.   Goed onderwijs moet beschikbaar zijn voor iedereen, ongeacht wie je bent en waar je vandaan komt. Iedereen verdient een gelijke kans.

2.   Goed onderwijs is meer dan cognitieve ontwikkeling, het gaat ook om de geestelijke en morele ontwikkeling als mens en als verantwoordelijk burger van de samenleving. Het gaat er niet alleen om wat je wordt maar ook wie je wordt.

3.   Goed onderwijs gaat over de ontwikkeling van de samenleving als geheel en het samenspel tussen de verschillende talenten en niet om ieders individuele prestatie.

Drie prachtige stellingen die voor mij precies uitdrukken waar onderwijs over zou moeten gaan, en hoe onderwijs het fundament van een rechtvaardige samenleving kan vormen.

Een fundament dat permanent onze aandacht en zorg verdient. Want als we dat niet doen dan leidt onze hele samenleving daaronder. En dat is precies waarom ik me zorgen maak over hoe het onderwijs zich ontwikkelt. Want, in plaats van een grote gelijkmaker, een prachtige “fabriek van de mensheid”, zoals Comenius het noemde, leidt ons onderwijssysteem vier eeuwen na zijn dood helaas nog steeds tot onrecht en ongelijkheid, tot kloven in onze samenleving. 

-

Kent u Anyssa nog? Zij was een van de hoofdpersonages uit de veel bekeken en geprezen documentaireserie Klassen. In deze serie volgen, waarin documentairemakers Sarah Sylbing en Ester Gould verschillende achtstegroepers vlak voor het eindadvies voor de middelbare school. De serie maakt indringend duidelijk hoe je afkomst van invloed kan zijn op je schoolloopbaan.  

Anyssa is razendslim en werkt hard. Maar het leven maakt het haar niet makkelijk. Haar vader is niet in beeld. Met haar moeder gaat het niet zo goed. Ze woont bij haar opa en oma die worstelen met geld- en gezondheidsproblemen. Ze zijn afhankelijk van de voedselbank. Opa is ziek en ze moet veel voor hem zorgen. Opa en oma kunnen zelf niet goed lezen, dus helpt Anyssa hen bij veel praktische zaken. Haar oom is onlangs neergestoken bij een ruzie, waardoor ze slecht slaapt. Anyssa is een doorzetter met veel talenten, maar er speelt zoveel in haar leven dat het soms lastig is om zich op school te concentreren. Ze scoorde eerst als beste van haar klas. Ze zou makkelijk naar het vwo kunnen, denkt haar lerares. Maar door alle stress en spanningen gaan haar resultaten steeds verder achteruit en verdwijnt een vwo-advies steeds verder uit beeld. 

In Nederland zijn er duizenden Anyssa’s. Kinderen die een hele moeilijke startpositie hebben, en maar weinig tijd krijgen om hun talenten te ontwikkelen, omdat we ze al op jonge leeftijd in een hokje plaatsen. Maar er zijn ook duizenden kinderen voor wie precies het tegenovergestelde geldt. Kinderen die vanuit huis alle ondersteuning en begeleiding krijgen die ze nodig hebben. Waar boeken in huis zijn, genoeg te eten, weinig stress. Van wie de ouders de prestaties van hun kinderen goed in de gaten houden, de best presterende scholen zonder een groot lerarentekort weten te vinden en kunnen compenseren voor elk gebrek.

Zo heeft de bijlesindustrie de afgelopen jaren een enorme vlucht genomen. De uitgaven aan bijles zijn de afgelopen 20 jaar meer dan vertienvoudigd en bijles, oorspronkelijk bedoeld als manier om een achterstand weg te werken, is steeds meer het middel geworden om de voorsprong die je kinderen al hebben, te vergroten. 

Dat ouders die zich dat kunnen veroorloven, kiezen voor bijles voor hun kroost, is goed te begrijpen. We leven in toenemende mate in een diploma gedreven samenleving, waarbij de kansen in het leven, kansen op kennis, macht en inkomen, voor een groot deel bepaald worden door het diploma dat je bezit. 

Hoe hoger je diploma, hoe groter je kansen op een baan, vast werk en daarmee de kans op een goed inkomen, een mooi huis, en een paar fijne vakanties per jaar. Maar ook: hoe groter de kans op een goede gezondheid. Kinderen in gezinnen met een laag inkomen en een lage opleiding leven gemiddeld zeven jaar korter en 25 jaar in minder goede gezondheid dan kinderen van hoogopgeleide ouders.

Ik hoor u denken: “termen als hoog- en laagopgeleid, die zouden we toch eigenlijk niet meer moeten willen gebruiken?” U heeft gelijk, maar ze zijn moeilijk uit te bannen uit ons taalgebruik. Onze samenleving is doordrenkt van het hiërarchische denken. We hebben het over opstromen en afstromen, stapelen en van een dubbeltje een kwartje worden. We zien het onderwijs als een ladder in plaats van een plek waar iedereen zich optimaal moet kunnen ontwikkelen. En de negatieve impact van deze hiërarchische manier van denken kom ik als wethouder onderwijs maar al te vaak tegen.

Zoals bij de première van Generatie vmbo, een film gemaakt door en met vmbo-leerlingen van het Media College in Amsterdam West. Meester Yasin Yaylali had mij uitgenodigd bij de première in Tuschinski aanwezig te zijn en na afloop met de leerlingen te praten. Er hing een opgewonden stemming: niks spannender dan jezelf op een filmdoek zien van vijf bij twee meter. Zeker als je 16 bent.

De leerlingen hadden niet verwacht dat de documentaire echt in Tuschinski vertoond zou worden, vertelde meester Yasin me voor de film. Toen de leerlingen binnenkwamen zeiden ze: “Wow meester, zijn we dit écht waard?”

Het slechte imago van het vmbo en het negatieve zelfbeeld van vmbo'ers komen ook in de documentaire aan de orde. Een leerling vertelt: "Ik heb soms vrienden die, als ik zeg dat ik op het vmbo zit, aan me vragen: vecht jij veel? Heb je niet goed je best gedaan?"

De documentaire is goed gelukt. Hij laat precies zien wat meester Yasin beoogde: wat een leuke kinderen het stuk voor stuk zijn! Maar ik verliet de bioscoop ook met een zwaar gemoed. De manier waarop de kinderen naar zichzelf kijken – als minder, als kinderen die moeten bewijzen dat ze het ook heus waard zijn – vind ik onverdraaglijk. Welke boodschap geven wij in de samenleving mee aan onze vmbo-leerlingen, de helft van onze kinderen?!

Het negatieve imago en zelfbeeld van het vmbo is niet toevallig ontstaan. Door de hiërarchische manier waarop wij over onderwijs praten, krijgen kinderen steeds de boodschap: hoog is beter dan laag. En het is niet alleen de manier waarop we erover praten, het is ook wat we dóén voor de kinderen.

Want waarom gaan vmbo-kinderen maar vier jaar naar de middelbare school en vwo’ers zes jaar? Waarom vragen we van vmbo’ers al op hun vijftiende of zestiende om een beroepsrichting te kiezen, midden in hun puberteit, terwijl vwo’ers daar veel langer over mogen doen? Waarom zijn vmbo-scholen vaker ouder en minder goed onderhouden dan vwo-scholen? Waarom gaan schoolreisjes op het vmbo vaak niet verder dan Antwerpen, terwijl de gymnasiasten naar Rome gaan? Waarom gaat het vak burgerschap op het vwo meestal over zelfontplooiing, en op het vmbo over normen en waarden, uitgelegd als regels waar je je aan moet houden? Waarom bestaan er datingapps speciaal voor hogeropgeleiden? Waarom krijgen hogeropgeleiden 20 procent korting op hun autoverzekering?

En vooral: Waarom zijn we dit allemaal normaal gaan vinden? Waarom staan we toe dat we mensen hiërarchisch ordenen en ongelijk behandelen? Onze kinderen zijn toch allemaal evenveel waard?

Wat het voorbeeld van Anyssa ook laat zien, is dat onze neiging om iedereen op jonge leeftijd in een hokje te stoppen, te labelen en van een toekomst voorspellend en –bepalend schooladvies te voorzien, veel kinderen geen recht doet. 17% van de Amsterdamse kinderen groeit op in armoede en dat concentreert zich vooral in sommige wijken en buurten. Vaak de buurten waar scholen kampen met grotere lerarentekorten en daardoor meer moeite hebben het onderwijs op orde te krijgen. Dit alles met een direct gevolg voor de kansen die kinderen krijgen. Dat zie je onmiddellijk terug in CBS-data over schooladviezen. Wanneer je op de kansenkaart kijkt naar Amsterdam, zie je een soort blauwe rivier van hoge adviezen door centrum en zuid lopen, de rijkere wijken van de stad, terwijl Amsterdam Zuidoost, Nieuw-West en Noord rood gloeit van (te) lage adviezen.

Hoe zou Comenius hiernaar hebben gekeken? Als we zijn drie definities van goed onderwijs erbij halen, dan is het niet moeilijk te voorspellen dat hij waarschijnlijk zeer kritisch zou oordelen over ons vroege selectiesysteem. Want door kinderen al op 12-jarige leeftijd te verdelen over maar liefst zeven verschillende niveaus (van praktijkonderwijs t/m vwo), krijgen niet alle kinderen gelijke kansen op het onderwijs dat ze verdienen. Daarnaast is deze indeling louter gebaseerd op cognitieve vaardigheden en dan vaak ook nog op het vak waar een kind het minst goed op scoort en niet op de brede waaier aan talenten die Comenius beschreef. En bovendien leidt dit selectiesysteem tot een grote focus op individuele onderwijsprestaties zonder oog voor de ontwikkeling van de samenleving als geheel. Sterker nog: door ons vroege selectieproces komt die samenleving stevig onder spanning te staan.

-

Hoe dit werkt is treffend beschreven door de filosoof Michael Young in zijn dystopische roman The rise of the meritocracy uit 1958. 

Het woord meritocratie bedacht hij zelf. Het was een combinatie van het Griekse “kratia” (macht) en het Latijnse “meritum” (verdienste). Macht voor degene met verdienste dus. Waarbij verdienste staat voor de combinatie van IQ en inzet. In een meritocratie is macht niet meer gebaseerd op geboorterecht, zoals in een aristocratie, of gebaseerd op rijkdom, zoals in een plutocratie, maar ligt de macht bij de slimsten, de mensen met de meeste diploma’s.

Zijn satirische, dystopische boek – zogenaamd geschreven in het jaar 2033 – geeft een verontrustende historische analyse van wat er in zijn landgebeurt sinds de invoering van een nieuw schoolsysteem in Engeland, waarin kinderen al op jonge leeftijd worden ingedeeld in verschillende schoolniveaus op basis van hun intelligentie. Dat heeft door de jaren heen gezorgd voor veel onrust en polarisatie in het land. Lageropgeleiden voelen zich vernederd en komen in opstand tegen het feit dat ze geen stem en geen positie meer hebben in de politiek en in besluitvormende organen. Ze voelen zich steeds minder vertegenwoordigd in de politiek. Er is een nieuwe partij opgekomen die het wél voor hen opneemt: The populists. Het boek eindigt abrupt. Op de laatste pagina wordt vermeld dat het nooit voltooid is, omdat de auteur tijdens rellen is omgekomen.

Waar Young dus vooral waarschuwde voor meritocratie, voor al te veel individualisering en onderlinge competitie en het blindstaren op cognitief talent, werd deze term gek genoeg in de decennia na het verschijnen van zijn boek juist gepresenteerd als een utopie van gelijke kansen. Want talent kan iedereen gegeven zijn, was het idee, dus in theorie heeft iedereen dan een gelijke kans op maatschappelijke waardering. Maar de werkelijkheid is dat het onderwijs door deze denkwijze een oneerlijke wedstrijd werd. Oneerlijk omdat de ene deelnemer de wind in de rug krijgt en de ander vooral tegenwind ervaart. Een wedstrijd omdat de focus is komen te liggen op individuele prestaties. En het kenmerk van elke wedstrijd is dat die maar enkele winnaars en heel veel verliezers kent. En ondertussen brokkelt de solidariteit in de samenleving af, want als je denkt dat je het succes louter aan jezelf hebt te danken, dan zie je falen ook als eigen schuld. En waarom zou je dan nog compassie moeten hebben met iemand die minder succes heeft dan jij?

De Amerikaanse filosoof Michael Sandel noemt dit de ‘tirannie van verdienste’ in zijn gelijknamige boek dat in 2020 verscheen. Succes zien als een individuele prestatie, een eigen verdienste zonder erkenning dat het grotendeels ook het gevolg is van puur toeval – je bepaalt zelf namelijk niet het talent waar je mee wordt geboren en de omstandigheden waardoor je wel of niet vooruit geholpen wordt – leidt tot ongepaste zelfingenomenheid aan de kant van de winnaars en een gevoel van vernedering en gekrenkte trots aan de kant van de verliezers. Sandel wijst ons op de grote maatschappelijke consequenties van dit vernederende individualiseren van succes: het perst solidariteit uit de samenleving en zorgt zo voor toenemende ongelijkheid en onderlinge polarisatie. Het verklaart volgens Sandel de populariteit van Trump, omdat hij dit sentiment beter lijkt te hebben begrepen dan de democraten, en daar sluw misbruik van maakt. Door de schuld bij de arrogante (links progressieve) elite neer te leggen, gaf hij mensen een gevoel van erkenning, dat ze zo misten in het systeem.

Ook Comenius, zelf hoogopgeleid en vluchteling, doorzag feilloos het risico van het individualiseren van onderwijsprestaties op een maatschappij. Daarom wees hij op het collectieve belang van goed onderwijs en was hij een vurig pleitbezorger voor het waarderen van alle talenten. De eenzijdige focus op cognitief talent doet geen recht aan de veelheid aan talenten en inzet die we nodig hebben om een goede samenleving te vormen. Het werkt vernederend en zorgt voor een kloof in onze samenleving. Bovendien zorgt het ervoor dat we de mensen die een belangrijke bijdrage leveren aan het draaiende houden van onze samenleving vaak niet voldoende waarderen.

Volgens de meritocratische principes verdient iemand met een universitair diploma meer dan iemand met een middelbaar beroepsdiploma. Maar is dat wel zo logisch als je kijkt naar wat iemand bijdraagt aan de samenleving? Als alle mensen met maximaal een mbo-diploma vandaag hun werk neerleggen, loopt alles onmiddellijk vast. Denk maar aan wat er gebeurt als de vuilnis niet meer wordt opgehaald, de kantoren niet meer worden schoongemaakt, de pakketjes niet meer bezorgd, de winkels de deuren sluiten, de thuiszorg niet meer langskomt, de kinderopvang staakt, het openbaar vervoer stil komt te liggen. Als daarentegen alle academici vandaag hun werk staken, is het nog maar de vraag of we dat volgende week in de gaten hebben. 

***

Maar er staat veel meer op het spel. Als we niets doen aan de ongelijkheid in de samenleving, aan de diepe kloven die het gevolg zijn van individualistisch, meritocratisch denken, dan zullen we steeds dieper in een neerwaartse spiraal terechtkomen. Dan zal de polarisatie in de samenleving verder toenemen en zullen we steeds meer moeite krijgen om de grote vraagstukken van deze tijd met elkaar op te lossen: hoe we de natuur redden, hoe we de opwarming van de aarde tegengaan, de grote tekorten in de publieke sector opvullen, een humaan en houdbaar migratiebeleid voeren, de woningnood stoppen en de bestaanszekerheid van mensen verbeteren. 

“Door goed onderwijs, wordt de mens goed en door goede mensen wordt de wereld goed”, zei Comenius. En zo is het. Goed onderwijs vormt dus het fundament van een goede samenleving. Daarom moeten we in het onderwijs kinderen meer tijd geven om hun talent te ontwikkelen in plaats van talent te verkwisten en jongeren door prestatiedruk meer stress aan te jagen. Laten we stevig investeren in goede leraren en kwalitatief sterk onderwijs, zodat het onderwijs overal goed op orde is en ouders niet meer hoeven aan te kloppen bij privaat onderwijs en bijlesbureaus. Laten we al het onderwijs gratis maken, inclusief alle leermiddelen, een leven lang. Zodat iedereen zich kan blijven ontwikkelen, ook op latere leeftijd. En laten we stoppen met de termen hoog- en laagopgeleid, maar nog belangrijker: echt uitdrukking geven aan onze waardering voor opleidingen die een concrete bijdrage leveren aan een betere samenleving. Beloning zou niet gekoppeld moeten zijn aan de hoogte van je diploma, maar aan het maatschappelijk belang van je werkzaamheden. En laten we samen investeren in wat de samenleving beter maakt. Bijvoorbeeld door, in de strijd tegen het lerarentekort, een rijksacademie te starten voor leraren die net als militairen en politieagenten, al tijdens hun opleiding worden betaald. Zij zorgen namelijk net zo goed voor de bescherming van ons land en voor een goede toekomst.

Het is een diepgeworteld misverstand om te denken dat kansengelijkheid alleen maar gaat over het beklimmen van de meritocratische ladder. Kansengelijkheid moet gaan om een gelijke kans op waardering, op een goed bestaan, ongeacht de aard van je talent. Alleen op deze manier kan het onderwijs weer een gelijkmaker worden, en mensen samenbrengen. 

Uiteraard kan het onderwijs het niet alleen. Er zal meer moeten gebeuren. Gratis goede kinderopvang voor iedereen, investeren in bestaanszekerheid. Investeren in de publieke sector, want op te veel plekken kunnen mensen niet meer rekenen op goede thuiszorg, goed openbaar vervoer of een aanspreekbare wijkagent. En we zullen weer terug moeten van woningmarkt naar volkshuisvesting, want een betaalbaar dak boven je hoofd is een grondrecht. 

Om dit te realiseren helpt het om vast te houden aan het adagium ‘ongelijk investeren voor gelijke kansen’. Dat is niet zomaar een slogan waar mijn partij in 2022 de verkiezingen mee won in Amsterdam, maar een motto dat we in de stad dagelijks in de praktijk brengen. We investeren vooral daar waar dat het hardste nodig is. Zoals met de speciale programma’s in Zuidoost, Nieuw-West en Noord, de Amsterdamse stadsdelen met de meeste achterstand en achterstalligheid, met de laagste onderwijsscores, de meeste armoede en hoogste criminaliteitscijfers. We investeren in beter onderwijs door extra geld voor scholen met meer problemen. Leraren in deze wijken krijgen een twee keer zo hoge Amsterdamse toelage en voorrang op huisvesting, waardoor we het lerarentekort vooral daar fors hebben weten terug te brengen. We investeren in familiescholen, een unieke Amsterdams concept, waar naast uitstekend onderwijs voor de kinderen ook de ouders worden geholpen met taal, opvoedvaardigheden en financiële administratie en problematiek. We investeren in meer naschoolse activiteiten en een goede voorschool voor de kleintjes. We houden mensen uit de schulden door extra inzet op vroegsignalering. We geven een brede brugklasbonus aan 10 middelbare scholen die hun leerlingen de eerste paar jaren nog niet in aparte hokjes schuiven, maar waar alle kinderen nog gezamenlijk les krijgen, zodat ze langer de tijd hebben om hun talenten te ontwikkelen, minder stress ervaren en elkaar blijven ontmoeten.

Door toenemend individualisme en de nadruk op meritocratie hebben we ons de afgelopen jaren uit elkaar laten spelen. Zijn er nieuwe zuilen en klassen ontstaan, hiërarchisch geordend op basis van opleiding, waartussen kennis, macht en inkomen verre van eerlijk zijn verdeeld. Om dat te doorbreken moeten we af van het idee dat succes een keuze is en beter beseffen dat het in hoge mate het gevolg is van toeval en geluk. Het geluk dat je met een goed stel hersens bent geboren, dat je gezond bent, dat je in staat bent om je in te zetten. En het geluk dat je geboren bent in een omgeving die je mogelijkheden biedt en vooruithelpt. Het had zomaar anders kunnen zijn. Als we beseffen dat succes voor een groot deel afhankelijk is van geluk en toeval, zullen we ook een ander meer gunnen, zijn we bereid om onze welvaart eerlijker te delen, en zijn we beter in staat om samen tot oplossingen komen voor de grote en urgente maatschappelijke problemen waar we voor staan. 

“Wie de wereld wil verbeteren, begint bij onderwijs”. Laten we in deze onzekere tijd, deze hoopvolle gedachte omarmen. Want hoop, dat verdienen onze kinderen, zoals ook Micha de Winter (terechte winnaar van de Comeniusprijs) ons als een moderne Comenius voorhoudt. Laten we daarom ons onderwijs vormgeven langs de drie basisprincipes van Comenius: bied ieder kind een gelijke kans, waardeer en stimuleer alle talenten en focus op collectieve ontwikkeling in plaats van individuele prestatie. Waardeer wat van waarde is, dat is samenleven!

Juist in deze tijd leert Comenius ons dat we niet hoeven te wanhopen, maar samen wereldverbeteraars kunnen worden. Door onze aandacht en zorg te richten op het fundament van onze samenleving: de ontwikkeling van onze kinderen. Zoals gebeurde daar op die vroege februariochtend op ‘zijn’ lyceum in Amsterdam Nieuw West. Iedereen die daar naar binnen keek, wist en voelde: Dit is het. Dit is hoop. Zo kan het zijn.”

**

Volgende
Volgende

Koop nu en betaal later? Bescherm onze jongeren!