‘Kind van de sociaaldemocratie’

Op zondagmiddag 17 november organiseerde De Linker Wang de bijeenkomst ‘Geen fusie zonder visie’. Mijn collega wethouder Rutger Groot Wassink en ik waren gevraagd allebei onze visie te geven op de samenwerking tussen GroenLinks en de Partij van de Arbeid. Lees hieronder mijn bijdrage:

Ik ben een kind van de sociaaldemocratie.

Dat kan je vrij letterlijk opvatten. 9 maanden na de vorming van het kabinet Den Uyl, het enige progressieve kabinet dat ons land ooit heeft gekend, werd ik geboren. En ik denk niet dat dat toeval was.

Mijn ouders, beiden geboren in arbeidersgezinnen - de een in Amsterdam, de ander in Noordoost Groningen  - groeiden op in de armste buurten van Den Haag. Moerwijk en Escamp. Geen buurten waar de kansen voor het oprapen liggen. Mijn moeder maakte haar school niet af. Ze verliet de MULO om te gaan werken en zo bij te dragen aan het huishoudinkomen. Het liet een diep spoor van minderwaardigheidsgevoel bij haar achter. Later zou ze via de moedermavo (een term waar ze een grondige hekel aan had omdat ze het denigrerend vond) laten zien waar ze toe in staat was. Zo haalde ze o.a. haar Vwo-diploma Nederlands. Ze was er ongelofelijk trots op. Ook mijn vader begon zijn carrière zonder veel diploma’s. Na de MULO was het gewoon heel hard werken en dan in de avonduren naar de avondhandelsschool om zo hoger op te klimmen.

In de gezinnen van mijn ouders werd traditioneel PvdA gestemd. Daar stelde niemand vragen over. Wij waren arbeiders en niet bijzonder christelijk. De keuze was snel gemaakt.

Ik kreeg de PvdA met de paplepel ingegoten en daarmee dus ook alle waarden die daarmee zijn verbonden:

eerlijk delen,

rechtvaardigheid,

gelijkwaardigheid,

solidariteit en gelijke kansen.

Mijn eigen geschiedenis leest als een klassiek sociaaldemocratisch verheffingsverhaal. Kind van klassenmigranten - mijn ouders verhuisden voordat ik geboren werd naar een huurflat in Wassenaar – ik kreeg de kans om te studeren, te promoveren en zelfs wethouder te worden in de hoofdstad. Een kind van de sociaaldemocratie dus.

Mijn ouders zijn al lang geleden overleden. Allebei op jonge leeftijd. Mijn vader nog voor Paars 1. Mijn moeder in het begin van Paars 2.

Soms vraag ik me af of ze in deze tijd nog steeds op onze partij zouden stemmen. Het zou hen geen uitzondering maken want je hoort het vaak:

De arbeiders van weleer hebben ons verlaten. Ze herkennen zich niet meer in de PvdA. Het is een partij van hoger opgeleiden geworden. De PvdA heeft haar ziel verkocht door het afschudden van de ideologische veren in de jaren negentig en daarna nog erger tijdens Rutte 2. GroenLinks zorgt ervoor dat we het alleen nog maar over klimaat en woke hebben en de voeling met de samenleving kwijt zijn. Luchtfietserij met elektrische bakfietsen en genderneutrale toiletten.

Zelf werd ik lid van de PvdA in 2001. Tijdens de Fortuyn revolutie. Er moesten dingen benoemd worden. Vooral lelijke dingen over bepaalde bevolkingsgroepen. Mensen werden tegenover elkaar gezet. Ik had het gevoel dat met al dat benoemen er vooral veel dingen niet meer mochten worden gezegd: De waarde van samenleven, van omkijken naar elkaar, van barmhartigheid, medemenselijkheid, solidariteit. Ik ging in verzet. Ik werd lid van de PvdA.

Voor GroenLinksers klinkt dat vast niet zo revolutionair. Aansluiten bij die grote machtspartij, die zij juist voortdurend betrapten op het zich niet houden aan haar idealen. Maar ik kan me niet herinneren dat ik zelf vanaf een afstand veel licht zag tussen de PvdA en GroenLinks.

Bij debatten juichte ik net zo hard voor Halsema als Bos, soms zelfs meer voor de eerste dan de laatste. Maar ik voelde me thuis bij de PvdA. Door mijn eigen geschiedenis en in alle eerlijkheid, ook doordat de PvdA niet aan de zijlijn stond, meebestuurde.

Sterk en sociaal.

Dat voelde goed.

 

Inmiddels zijn we bijna een kwart eeuw verder en heeft de PvdA een groot deel van mijn leven bepaald. Maar als dat niet zo zijn geweest, zou ik vandaag lid zijn geworden. Want juist nu zie je dat sociaaldemocratische waarden van groot belang zijn om richting te geven.

Richting in waar we naartoe moeten met ons land:

Vrijheid voor iedereen, in plaats van vrijheid voor sommigen.

Gelijke kansen én gelijke rechten.

Eerlijk delen, solidariteit.

Een betere toekomst voor ons allemaal.

Het zijn geen loze woorden of holle kreten. Het zijn de waarden die het cement vormen van een samenleving, die een samenleving bij elkaar houden.

Daar hoef ik u niet van te overtuigen.

 

Maar de vraag is: hoe brengen we deze waarden zo goed mogelijk in de praktijk?

In een tijd dat polarisatie hoogtij viert.

De ongelijkheid toeneemt.

Het onderwijs achteruit holt.

De jeugdzorg overbelast raakt.

De klimaatverandering duidelijk voelbaar en zichtbaar begint te worden.

De angst voor oorlog toeneemt.

En er in Amerika een leider is gekozen met antirechtstatelijke, autocratische trekken terwijl hier in ons land zijn evenknie het voor elkaar kreeg om zijn eenmanspartij de grootste van Nederland te maken waardoor we nu van kabinetscrisis naar kabinetscrisis rollen, angst en haat worden aangewakkerd, en problemen worden gecreëerd terwijl de echte problemen worden genegeerd.

We staan er niet bepaald beter voor dan een kwart eeuw geleden.

Dus hoe bieden we daar zo goed mogelijk tegenwicht aan?

Mijn antwoord is: door ons samen sterk te maken in plaats van ons te laten verdelen!

We staan op een belangrijk scharnierpunt in de tijd. Overal in het vrije Westen zien we het kind van het neoliberalisme geboren worden: het populisme.

Nadat ons decennialang is aangepraat dat succes een keuze is en falen je eigen schuld, waarin winst boven waarden werd gesteld en concurrentie boven samenwerken, waarin de verzorgingsstaat stukje bij beetje werd uitgehold en vervangen door ‘new public management’ en zo verwerd tot een wantrouwende, bestraffende overheid, is het niet gek dat een klimaat is ontstaan waarin angst, egoïsme en zondebokpolitiek welig kunnen tieren.

En het is niet gek dat onze partijen daarvan de schuld krijgen. Objectief natuurlijk wel, want we zaten nauwelijks aan de knoppen. De PvdA een beetje, GroenLinks valt weinig te verwijten. Maar dit tegenwerpen, zou uitgaan van al te veel redelijkheid aan de kant van de vingerwijzers. Het gaat hier om een truc. Wij zijn uiteraard de grootste uitdager van de populist. Wij willen verbinden, terwijl de populist wil verdelen. Wij tegen zij. Nuance, redelijkheid en inlevingsvermogen, zijn niet besteed aan de populist. Dat is allemaal maar slappe hap, theedrinkmentaliteit, wegkijken. Met leugens, grove taal en roeptoeter-retoriek worden we uit elkaar gespeeld. En het erge is: Het lukt ze soms ook nog. Naarstig gaan we op zoek waar we het allemaal niet over eens zijn. Waar het schuurt. Worden we niet te woke? Gaat het niet teveel over het klimaat? Zijn we nog wel een volkspartij? Worden we niet te activistisch? Te links? Of te rechts? Zijn we niet te hoogopgeleid, te oud, te jong?

Kijk: Rutger is een gehaktballenetende, witte, kalende mavoklant uit de provincie. Ik een gepromoveerde vegetarisch lid van de havermelkelite uit de randstad die zoveel mogelijk op de fiets doet

Waar ik maar mee wil zeggen: We verschillen niet zoveel van elkaar.

Want het gaat er niet om wie ieder van ons is, het gaat erom wat we samen willen bereiken voor ons land.

En ik constateer dat we daarin heel gelijkgezind zijn en een verhaal hebben dat eigenlijk al lang bestaat.

Ik neem u even mee terug naar mijn geboortejaar 1974. Den Uyl, onze premier destijds, hield een toespraak voor een groep wetenschappers die werd geïnaugureerd om het kabinet van advies te voorzien. De gedachte was dat hun kennis en ervaring konden helpen bij het ontwikkelen van beleid dat niet alleen economisch, maar ook sociaal en ecologisch duurzaam was. De naam van zijn toespraak was: “Rede van de kwaliteit van het bestaan”. En die kwaliteit kon volgens hem worden bereikt als de overheid beleid voerde vanuit de volgende vijf uitganspunten:

Ten eerste, moest er volgens Den Uyl een betere verbinding komen tussen economie, klimaat en welzijn. Dus, economische groei mag nooit ten koste gaan van levenskwaliteit van mensen en de leefbaarheid van de planeet.

Ten tweede, vond hij dat er meer nadruk moest worden gelegd op sociaal beleid: De overheid moet zich nadrukkelijk inzetten voor het verminderen van ongelijkheid en het verbeteren van de sociale omstandigheden van burgers waardoor iedereen een gelijke kans krijgt in de samenleving.

Ten derde, toonde Den Uyl zich een fervent pleitbezorger voor meer participatie van burgers bij het maken van beleid om zodoende te voorkomen dat de overheid te ver van burgers af komt te staan, waardoor het vertrouwen in de democratie onder druk komt.

Ten vierde, pleitte hij voor toekomstgericht denken: Een visie niet alleen gericht op de korte termijn, maar ook op de lange termijn, met aandacht voor ecologische duurzaamheid en toekomstig welzijn.

En tot slot, moest volgens hem beleid altijd worden ondersteund met kennis en onderzoek, zodat betere oplossingen voor complexe uitdagingen kunnen worden gevonden.

Kijk, we hoeven niet op zoek naar een nieuw groen en sociaal verhaal voor onze gezamenlijke beweging. Het verhaal bestond al in mijn geboortejaar en zelfs ver daarvoor. Uiteraard vergt ons verhaal continu een update naar nieuwe omstandigheden en inzichten, maar de basis is allang gelegd. En de waarden en idealen zijn onveranderd urgent in deze tijd. Misschien wel belangrijker dan ooit. Want juist nu zoveel grondrechten onder druk staan -het recht op gelijke behandeling, het recht op bestaanszekerheid, het recht op een woning, op goed onderwijs, op een leefbaar klimaat- weten we wat ons te doen staat. Dat we ons niet uit elkaar moeten laten spelen, maar samen moet opkomen voor wat van waarde is. Dus laten we ons niets aan laten praten, maar met trots en zelfvertrouwen onze idealen uitdragen.

Want natuurlijk zijn we woke. We komen namelijk altijd op tegen racisme en discriminatie en voor de vrijheid van ieder individu. We zijn al woke sinds de Rooie Vrouwen demonstreerden op de Dam om baas in eigen buik te mogen zijn en toen burgemeester Job Cohen het eerste homohuwelijk sloot. Laat ons maar vooropgaan in die strijd.

Natuurlijk zijn we een volkspartij. Want onze waarden draaien om solidariteit. En solidariteit gaan altijd over de sterkste schouders die de zwaarste lasten dragen. Dat vraagt per definitie om een verbinding tussen alle bevolkingslagen. We zijn er voor de homoseksuele leraar die zich niet durft uit te spreken, de pakketbezorger die slachtoffer is van racisme en de grootouders die zich zorgen maken over de gevolgen van klimaatverandering voor hun kleinkinderen.

Natuurlijk vinden we klimaat een topprioriteit. Hoe zouden we dat het niet kunnen vinden nu alle seinen op rood staan voor het klimaat en daarmee voor onze toekomst? Solidariteit gaat ook over het verbinden met generaties die na jou komen.

Natuurlijk zijn we activistisch. Dat waren we al toen Aletta Jacobs streed voor het vrouwenkiesrecht, we demonstreerden tegen de atoombom en de tegen de apartheid in Zuid Afrika.

Natuurlijk zijn we er voor de arbeider. Alleen ziet die er vaak niet meer uit zoals mijn opa’s destijds. Het zijn nu vaak mensen met een migratie-achtergrond, jongeren en vrouwen die te maken hebben met lage lonen, onzekere contracten en slechte werkomstandigheden. Dat arbeiders er nu vaak anders uitzien, maakt de strijd niet anders.

Natuurlijk moeten we niet politiek opportunistisch zijn door op te schuiven in onze standpunten omdat radicaal rechts op dit moment de dienst uitmaakt. Het is juist belangrijker dan ooit om standvastig vast te houden aan onze idealen om daar tegenwicht aan te bieden.

En natuurlijk raakt polarisatie ons diep. Want wij staan juist het tegenovergestelde voor. Dus als haatzaaiend wordt gesproken over hele bevolkingsgroepen, als tegenstellingen worden uitvergroot, als mensen tegen elkaar worden opgezet, dan raakt dat ons in het hart. Al die pijn en angst in de samenleving van mensen die zich buitengesloten en gediscrimineerd weten – omdat ze moslim, jood, migrant, homo, vrouw of gewoon anders zijn – die pijn voelen we binnen onze partijen. Dus elke keer als dat gebeurt, staan we weer op scherp. De boel bij elkaar houden, empathie voor elkaar opbrengen en compassie, dat is verre van slap. Het is juist heel hard werken. En ik ben er trots op dat wij dat opbrengen.

Beste mensen, omdat de linker wang de religiewerkgroep is van GroenLinks, wil ik eindigen met een stichtelijk woord. En wel van een van de kerkvaders, Augustinus. Hij leefde in de derde eeuw na Christus. Hij leerde ons dat hoop twee dochters heeft: woede en moed. Woede over de dingen zoals ze zijn en moed om te geloven dat ze niet zo zullen blijven zoals ze zijn.

En Augustinus zei nog iets heel moois: ‘Wij zijn de tijden’. In een boek met deze titel beschrijft theoloog Hans Alderliesten een preekfragment van Augustinus met daarin de volgende dialoog: “Het zijn slechte tijden!” roept iemand. Waarop Augustinus koeltjes reageert: “Dat zeggen de mensen tenminste.” Een ander roept: “Het zijn moeilijke tijden!” Augustinus antwoordt: “Je kunt het kwaad, en slechte of moeilijke dingen buiten jezelf situeren. Dat is de makkelijke weg. Het kwaad, dat bevindt zich buiten mij. Hetzelfde geldt voor de tijd waarin we leven: gaat dat buiten ons om?” Hij bedoelt: Wij ondergaan niet alleen maar, wij zijn tijd. Wij zijn de tijden.

Laten we dus woedend zijn over de ongelijkheid, over de polarisatie, over het onrecht, over het gemorrel aan onze democratie. En laten we vooral ook de moed opbrengen om te geloven dat dat niet zo hoeft te zijn. Laten we onze gezamenlijke idealen en kracht gebruiken de samenleving beter te maken. Laten we ons niet laten verdelen, maar laten we ons juist verbinden om samen sterker te staan. Voor de kwaliteit van het bestaan. Een betere tijd om dat te doen is er niet.

En ik ben ervan overtuigd mijn ouders dolgraag en vol overtuiging op de nieuwe combinatie van PvdA en GroenLinks zouden willen stemmen, net als hun dochter, hun kleinkinderen en nog vele generaties te gaan.

Dankuwel!

Vorige
Vorige

Podcast: De linkse revolte

Volgende
Volgende

Zuurstof #4 - Preek van de Leek